Je lijkt alles onder controle te hebben. Je zorgt, regelt en geeft veel — aan je werk, je gezin, je cliënten, je omgeving. Je denkt vooruit. Houdt rekening met anderen. Lost op wat er opgelost moet worden.
En ondertussen probeer je ook nog goed voor jezelf te zorgen.
Je leest een zelfhulpboek. Luistert een podcast. Doet een oefening. Probeert wat vaker rust te nemen.
Je weet inmiddels behoorlijk goed hoe je in elkaar zit.
Maar je hoofd blijft doorgaan. Je lichaam blijft alert. En echt ontspannen blijkt soms verrassend moeilijk.
Misschien verlang je naar rust, maar weet je niet meer hoe je moet stoppen met doorgaan.
Misschien hoef je daarom niet nóg meer aan jezelf te werken.
Misschien hoef je niet meer te worden wie je denkt dat je zou moeten zijn.
Misschien ontstaat er juist ruimte wanneer je stopt met jezelf steeds te willen verbeteren. Wanneer je niet alles meteen hoeft te begrijpen wat je voelt en niet iedere spanning, twijfel of onzekerheid hoeft op te lossen. Wanneer je jezelf niet steeds hoeft aan te zetten om het goed te doen, verder te komen of aan alle verwachtingen te voldoen.
Dan kan er iets ontstaan waar je misschien al die tijd naar hebt gezocht: meer rust, meer ruimte en meer contact met wat voor jou klopt.
Misschien merk je dat je op een vrije middag ineens een boek pakt dat al maanden op je nachtkastje ligt. Dat je niet eerst je hele to-dolijst hoeft af te werken voordat je op de bank mag zitten. Misschien bel je spontaan iemand op, doe je gezellig een spelletje met je kinderen, drink je rustig een kop koffie of ga je naar buiten omdat je daar gewoon zin in hebt.
Niet omdat je ineens een ander mens bent geworden. Maar omdat je niet meer voortdurend bezig bent met wat er nog anders, beter of verder moet.
Je hebt weer wat meer ruimte om gewoon te leven.
Niet omdat je eindelijk goed genoeg bent geworden.
Maar omdat je jezelf minder in de weg hoeft te zitten.
Bij Mieke hoef je niet nóg harder aan jezelf te werken.
Ik geloof steeds minder in het idee dat we onszelf voortdurend moeten verbeteren om ons goed te kunnen voelen.
Misschien helpt het je niet om nóg meer te begrijpen, te analyseren of uit te pluizen. Misschien helpt het juist om af en toe even niets te hoeven. Te vertragen. Te voelen wat er in je lijf gebeurt. En niet meteen te bedenken wat je ermee moet.
Want als dat moeten wat minder wordt, ontstaat er vanzelf wat meer ruimte.
Ruimte om weer te merken waar jij eigenlijk behoefte aan hebt. Om een boek te pakken, een wandeling te maken, op de bank te zitten zonder schuldgevoel. Om niet ieder moment nuttig te hoeven maken.
Misschien ontdek je dan dat er niet zo veel aan jou hoeft te veranderen.
Misschien mag het leven gewoon wat lichter worden.